Vorige week maandag was het zover: ik moest weer aan het werk. Ik zag er erg tegenop. Vijf lange maanden niet gewerkt, heerlijk uitgerust, op mijn gemak wat rommelen in de tuin, wat boodschappen doen, koken en opruimen, het was me enorm bevallen. Maar ja, ik had mijn visum, dus er was niet langer een excuus meer: ik moest weer aan de slag. Nog even ter informatie: toen we vorig jaar juni hier in California waren, was ik op bezoek geweest bij David Relman, microbioloog en assistant professor aan de medische faculteit van Stanford University. Op dat moment had hij nog geen baan voor mij, maar toen ik in november weer bij hem op bezoek ging, kon hij mij een postdoc-positie aanbieden. Het heeft toen nog een paar maanden geduurd voor al het papierwerk rond was, maar nu was het dan zover.
David Relman is een microbioloog met onder zich een groep van circa 15 postdocs, AIO's (PhD students), analisten, en studenten, het Relman-lab. Hij is een man van veel ideeen, kent heel veel mensen, start voortdurend nieuwe projecten op, en is bijna altijd afwezig.
Hij reist het hele land af, geeft lezingen, zit nu in San Diego, morgen in Seattle, gaat naar congressen, en zit regelmatig in Washington voor advies over bioterrorisme. Hij is altijd wel op donderdag bij de wekelijkse werkbespreking, maar daarbuiten zie je hem nauwelijks. Als hij zich op het lab laat zien, wordt hij gelijk bestormd door 10 postdocs die met hem willen praten! De mensen in zijn groep werken voornamelijk aan Bordetella (de verwekker van kinkhoest), of aan het onderzoeken van de menselijke immuunrespons op infectieziekten. Veel onderzoek gebeurt door middel van DNA microarrays, miniscule microscoopglaasjes met daarop honderden tot duizenden stukjes DNA, die allemaal tegelijkertijd gehybridiseerd kunnen worden. Eén microarray-experiment levert enorm veel data op, en je ziet dan ook iedereen achter computers zitten. Op de webpage van het Relman-lab vind je meer details over de projecten van de groep.
Zelf ga ik werken aan een project om te onderzoeken welke bacterien er voorkomen in de darmen van patienten met de ziekte van Crohn. Bij deze ziekte is de darm op bepaalde plaatsen ontstoken, maar het is niet duidelijk wat de oorzaak is. Mogelijk is er sprake van een infectie met een bepaalde bacterie, maar ondanks heel veel research is er nog geen duidelijke oorzaak gevonden. Men heeft geprobeerd om via kweekmethoden te kijken of er verschillen zijn aan te tonen in de darmflora van gezonde mensen en van Crohn-patienten, maar grote verschillen werden niet gevonden. Relman wil nu op een nieuwe manier de samenstelling van de darmflora gaan onderzoeken. Niet via kweken, maar via DNA-microarray's. We gaan in het bijzonder kijken naar bacterien die niet of moeilijk te kweken zijn, omdat daar misschien een antwoord te vinden is. Er werkt al iemand aan dit project, Paul Eckburg, een arts-assistent die ook net begonnen is. Daarnaast werk ik samen met Paul Lepp (Paul en Paul dus), een postdoc, die een soortgelijk onderzoek doet naar de bacteriele samenstelling van mondflora bij tandvleesontsteking.
Een deel van Relman's groep zit in het Fairchild gebouw van de Medische Faculteit op de Stanford campus, maar het grootste deel (waaronder ook ikzelf) zit gestationeerd op het Veterans Hospital in Palo Alto, op ca. 10 minuten rijden van de campus. Veteranen hebben een speciale positie in de VS, zoveel zelfs dat er een apart systeem van Veterans Hospitals is. Ik stelde me bij een VETERAAN een oude, dikke Amerikaan in militair uniform voor, die ooit in Korea had gevochten. Maar je bent ook al een veteraan als je 21 bent en meer dan 2 jaar in het leger hebt gezeten, en net terugkomt van 3 maanden militaire dienst in Afghanistan. Veteranen en al hun familieleden mogen gebruik maken van allerlei goede sociale voorzieningen en dus ook van de ziekenhuizen van de VA, de Veterans Administration.
Het Veterans Hospital in Palo Alto is een modern gebouw. Eigenlijk is het ook een campus, net als Stanford. In het midden staat het ziekenhuis, daaromheen allerlei gebouwen waar de Veterans administratie huishoudt. Op het grote grasveld voor het hoofdgebouw staat een gigantische vlaggenmast met daarin twee vlaggen. Bovenin een enorme Amerikaanse vlag, want Amerikanen zijn niet vies van een beetje patriotisme.
Daaronder hangt een kleine zwarte vlag. Ik dacht eerst dat het een piratenvlag was, want daar lijkt het wel op. Maar vandaag hoorde is dat het de POW-MIA vlag is. Dit staat voor Prisoner of War - Missing in Action, dus voor alle soldaten die tijdens een oorlogsmissie zijn verdwenen. Ook in de hal van het ziekenhuis merk je dat het niet zomaar een ziekenhuis is. Ook hier overal Amerikaanse vlaggen, foto's van oorlogsmonumenten, en een eerbiedige sfeer.
David Relman is als microbioloog aan dit ziekenhuis verbonden, maar doet weinig kliniek. Hij hoeft maar 1 maand per jaar dienst te doen, de rest besteedt hij voornamelijk aan research. Zijn lab zit gestationeerd op de vierde verdieping (eigenlijk de derde, maar de begane grond heet hier al first floor) van Building 101, dat links van het hoofdgebouw staat. Op deze etage zitten nog veel meer research groepen, elk genoemd naar de groepsleider. Zo heb je dus naast het Relman-lab ook een Butcher-, Omary- en Boxer-lab. Elke groep heeft een aantal laboratoria, die min of meer door elkaar gehusseld en verspreid over de verdieping verdeeld liggen. Het Relman lab is relatief klein, met maar drie labruimtes. De verschillende groepen hebben ook enkele gezamenlijke ruimtes, zoals een vriezerkamer, donkere kamer en een koffiekamer. Het is dus een druk heen en weer geloop over de gangen!
Het werken in een Amerikaans laboratorium is op een aantal punten heel anders dan in Nederland. Het grootste verschil: niemand draagt een labjas! Wel dragen veel mensen handschoenen, maar het is heel raar om zonder jas te gaan pipetteren. Pipetpuntjes en PCR-epjes gaan gewoon in de vuilnisemmer, de biohazard-emmers zijn alleen voor entogen en platen. Ethidiumbromide afval mag hier nog gewoon door de gootsteen, maar ik heb direct een EtBr decontaminatie-systeem besteld. De labs zijn overvol, labtafels staan volgepakt met rekken, platen, buizen, computers en apparatuur, de ruimte tussen de bovenkasten en het plafond staat volgestouwd met dozen, en onder de labtafels hangen overal kastjes, zodat je bijna nergens ruimte hebt om onder de tafel te gaan zitten. Ook de tafel die ik toegewezen kreeg, had geen knieruimte, zodat ik de volgende dag gelijk een sleutelset heb meegenomen om twee lades te verwijderen. Beter iets te weinig opbergruimte dan een kapotte rug. Van ARBO-wetten hebben ze hier nog niet gehoord!!!! Ik wil nooit meer iemand op een Nederlands lab horen klagen over ruimte, want hier in de VS is het echt nog veel beroerder.
Een eigen bureau heeft bijna niemand hier, het is de bedoeling dat je alles op je labbench doet. Er zijn geen aparte zitkamers of zo, David is de enige met een eigen kamer (en die kamer is letterlijk helemaal volgebouwd met STAPELS artikelen en tijdschriften!!!!!). Per persoon heb je een labtafel van ca. anderhalve meter breed, en daar moet je alles op doen. Als je pech hebt, staat er ook een centrifuge op, of heb je een student waar je je plaats mee moet delen. Veel postdocs hebben hun kleine plekje dan ook volgestouwd met een laptop, boeken, catalogi, electronische agenda, en wetenschappelijke artikelen en zetten hun PCR rekje gewoon bovenop de laptop. Er zijn wel een aantal computers voor algemeen gebruik, maar die zijn al min of meer overgenomen door enkele postdocs die er al wat langer werken, en ze zijn dus bijna altijd in gebruik. Ik ben in ieder geval blij dat ik zelf een laptop heb. Karakteristiek is ook dat iedereen zijn eigen kits bestelt en op zijn tafel heeft. Er zijn wel wat centrale dingen zoals disposables, maar iedere postdoc bestelt weer een andere kit voor DNA isolaties of een ander type pipetpuntje, en houdt die voor eigen gebruik. Ook heeft iedereen zijn eigen buffers, dus alles staat echt volgepakt. Het is verbazingwekkend dat er in een dergelijke chaos zulke hightech research gedaan wordt!
De eerste week van mijn nieuwe baan viel niet mee. Op maandag morgen had ik een bespreking met Paul Lepp, die me vertelde waar hij op dit moment mee bezig was. Daarna gaf hij me een rondleiding van een half uur, en dat was het zo ongeveer. Als postdoc wordt er kennelijk van je verwacht dat je je zelf kunt redden, maar ik had de eerste dag geen idee wat ik moest gaan doen! Ik moest dus zelf een beetje rondvragen, ontdekte dat ik als nieuwe medewerker weer heel veel formulieren moest invullen, en ben daarna maar een beetje mijn labtafel aan het inrichten geweest. In de dagen erna ben ik maar wat simpele proefjes gaan doen, wat primers uittesten voor Paul Lepp, wat verdunningen maken, een PCR en een gelletje gieten. Het valt niet mee, op een nieuw lab. Je weet helemaal niets te staan, en ik moest dus voortdurend iedereen lastigvallen met kleine vraagjes. Waar staat de agarose? Hoe werkt dit PCR apparaat? Hoe maak ik een foto van de gel? Waar staat de Taq polymerase? Hoeveel moet ik aan de PCR toevoegen? Alles is net weer anders dan in je vorige baan, dus je moet weer veel opnieuw leren. Hoewel het lab totaal ongeorganiseerd leek, bleken er toch wat gedragsregels te bestaan. Het vervelende is alleen dat niemand je die regels vertelt, maar dat je het wel te horen krijgt als je iets fout doet.... Vervelend dus dat niemand me inwerkte, maar gelukkig kon ik me na een paar moeilijke dagen steeds beter redden.
Wat ik ook ongezellig vond, was het feit dat er geen centrale koffie- of lunchpauzes zijn. Soms wordt er wel wat koffie gezet, maar de meeste mensen drinken die gewoon achter hun computer op. Dit is ook typisch Amerikaans, gewoon doorwerken en niet pauzeren. Rond het middaguur was er niemand die me vroeg om te gaan lunchen, dus ik at mijn brood maar in mijn eentje op. Het was dus een eenzame week. Ook een zware week, want WAO kennen ze hier niet, dus ik moet hier gewoon fulltime werken. Ik lag dus elke avond om 8 uur totaal totalloss in bed!
De tweede week ging het gelukkig al veel beter. Simone, een oud RIVM-collega van mij die ook in Relmans groep werkt, was weer terug van haar vakantie, en heeft me veel dingen laten zien, en uitgelegd. Gelukkig gaat zij tussen de middag WEL lunchen, en bleken er ook anderen naar de kantine te gaan. Ik zat gewoon nog niet in "het cirquit". De kantine van het ziekenhuis is trouwens niet erg bijzonder. Je kunt er soep, melk, en salades krijgen, en er zit een pizzaboer en een mini Burger King. Weinig gezonds dus. Maar wel een heerlijk terras buiten, waar we (vooral in het begin van de afgelopen week) in het zonnetje konden lunchen.
De afgelopen twee weken was het heerlijk warm lente weer. De bomen stonden prachtig in de bloesem, de blaadjes sprongen uit de knoppen, en temperatuur liep al snel op naar 20 graden. In the 70ties heet dat hier, maar ik ben nog niet zo op de Fahrenheits overgeschakeld. Het betekent ook dat ik zeer regelmatig alle hangende planten in het atrium moet begieten. Ook alle planten in de achtertuin moet ik telkens aflopen, vooral de buxus- en hebe haagjes onder het afdak, direct tegen het huis aan. In de achter- en zijtuin is geen sprinklerinstallatie aangelegd, en die heb je wel nodig tijdens de droge Californische zomer! Tenzij je natuurlijk elke avond je tuin wilt besproeien, zoals onze voorgangers kennelijk deden. De voortuin is trouwens wel voorzien van een microdripinstallatie met timer, maar die stond nog niet aan. Nadat ik had uitgevogeld hoe die timer werkte, ontdekte ik dat enkele onderdelen van het irrigatiesysteem kapot waren. Ik ben me dus een beetje gaan verdiepen in besproeingssystemen, bracht wat tijd door in de Orchard Home Supply (soort Boerenbond), en een wondere wereld van sprinklers, microdrips, bubblers, barbed tees, punchholes, 3/4 inch pvc tubes, gallons per minute en one-third circles ging voor me open. Niet dat ik nu gelijk een sprinklerexpert ben, maar ik heb weer veel geleerd. Gerard en ik willen dus van de zomer een sprinkler-installatie gaan aanleggen in de achtertuin. Zelf ben ik alvast begonnen met het aanleggen van een microdripsysteem tegen het huis aan. Hoewel dit systeem nog niet aan de electronische timer is verbonden, werkt het al wel! Ik hoef nu alleen maar 10 minuten de buitenkraan aan te zetten en de plantjes krijgen gedoseerd water. Bij elk buxusstruikje staat een kleine "bubbler" zodat alleen daar water komt waar het nodig is, en ik niet elke dag mijn ruiten hoef te lappen. De voortuin is inmiddels weer geheel gerepareerd, en wordt elke nacht rond 4 uur 10 minuten besproeid.
Mijn laptop, alweer ruim drie jaar oud, werd de laatste tijd toch wel heeeeeeeeel eeeeeerg traaaaaaaaag. Het duurde wel tien minuten voordat hij opstartte, en als ik meer dan twee programma's tegelijkertijd open had, zag ik bijna alleen maar zandlopertjes. De harde schijf zat redelijk vol, vooral met al die digitale foto's. Gerard vond het tijd voor een nieuwe computer, want drie jaar is in computertermen natuurlijk antiek. Op Goede Vrijdag (Good Friday geheten) had Gerard een vrije dag, ik helaas niet. Gerard is naar de Fry's geweest, een enorme electronica zaak. Als je daar de eerste keer komt geloof je je ogen niet, zo groot. Heel veel televisies, stereos, wasmachines, koffiezetapparaten, kabeltjes, computers, telefoons, printers, en klein electronisch spul. Maar ook veel boeken, CD's, DVD's en een cafe om even bij te komen van al dat winkelen. Het is een echte mannenzaak, waar de vrouwen verveeld bij de boeken en CD's rondhangen, en de mannen gelukzalig rondhuppelen. Gerard is altijd blij als hij weer een excuus heeft om naar de Fry's te gaan!
Toen ik dus op Goede Vrijdag thuiskwam, doodop van mijn eerste week werken, stond er geen heerlijke maaltijd op mij te wachten, geen schoongemaakt huis, geen uitgeruimde afwasmachine..... De katten hadden nog niet te eten gehad, het aanrecht stond nog vol met vaat, en de was was nog niet gedaan. In plaats daarvan was Gerard druk bezig om zijn nieuwe speeltje te installeren: zijn nieuwe supersnelle computer. Je moet mij niet vragen hoeveel gigamegabytehertz de nieuwe PC is, maar hij ziet er wel mooi uit. Het beeldscherm is plat, en dat scheelt erg veel ruimte op het bureau. Voor de liefhebbers: hij heeft ook een DVD brander!
Ook mijn laptop profiteert hiervan, want alle foto's zijn via een netwerkkabeltje naar de nieuwe PC verplaatst, en staan inmiddels op een DVD. Vervolgens heb ik mijn harde schijf gedefragmenteerd. De halve nacht stond hij te ratelen, maar daarna was hij weer een stuk sneller geworden! We zijn dus allebei blij met de nieuwe aanwinst.
De tweede aflevering van dingen die me opvallen in dit land, gaat natuurlijk over autorijden. De auto is het belangrijkste vervoermiddel in de USA. Iedereen heeft minstens 1 auto! Het halen van het rijbewijs stelt niet zoveel voor. Je hoeft geen officiele rijlessen te volgen, want je het is toegestaan om te zelf te oefenen, als er maar iemand naast zit met een geldig rijbewijs. Je ziet dus nergens lesauto's! Je mag al als 16 jarige examen doen, en je rijbewijs geldt daarna als ID (spreek uit "ai-die"), je identiteitsbewijs. Het is hier veel makkelijker om te leren rijden, omdat de meeste auto's automaten zijn, er weinig fietsers of voetgangers zijn, en er veel stopsigns zijn. Het rijexamen bestaat uit een theoretisch gedeelte en een praktijkexamen. Ondanks onze Nederlandse rijbewijzen en jaren rijervaring moesten Gerard en ik toch allebei de examens opnieuw afleggen, en dat was toch best spannend!!!! Het theoriegedeelte bestaat uit een stuk of 30 meerkeuze vragen, waarin niet alleen je kennis van de verkeersregels wordt getest, maar ook (best goed eigenlijk) wat je moet doen in geval van pech, noodsituaties, en wat het maximale alcoholpercentage in je bloed mag zijn, om nog te mogen rijden. Van de 30 vragen mag je er geloof ik 6 fout hebben, en als je er meer hebt, vraag je gewoon een nieuwe vragen lijst, en doe je hem gelijk nog een keer.... Het praktijkgedeelte is ook niet al te moeilijk. Het duurt ca. 20 minuten, en je mag het in je eigen auto afleggen. Belangrijkste voorwaarden zijn dat de auto verzekerd moet zijn, een geldige kenteken heeft, en dat de belangrijkste functies (zoals licht en remmen) het doen.. De eerste 10 minuten sta je nog stil. Je moet aan je examinator laten zien waar de handrem zit, hoe je je ruiten moet ontwasemen, hoe de toeter werkt, en hoe je de rijrichting moet aangeven als je richtingaanwijzer het niet doet (heb ik nog nooit iemand in het echt zien doen!). De tweede helft moet je echt de weg op. Ik vond het toch weer heel erg eng, maar je mag erg veel fouten maken. Belangrijkste punt is dat je moet rijden als een oude dweil, dus superlangzaam, vooral beneden de maximumsnelheid. Ik had als voornaamste kritiek dat ik TEVEEL over mijn rechterschouder keek als ik rechtsaf sloeg, ik bedoel maar.
Wat zijn de belangrijkste verschillen met het rijden in Europa? Allereerst rijdt bijna iedereen in een automaat. Je kunt wel schakelauto's kopen, maar de meeste Amerikanen vinden dat maar raar. Omdat de meeste mensen in een automaat rijden, wordt er heel rustig opgetrokken bij het stoplicht. Geen wedstrijdjes dus, wie er het eerste weg is bij groen! Je ziet ook veel meer remlichten, omdat de auto al gaat rijden als je het rempedaal loslaat, daar moest ik wel aan wennen. In het algemeen houdt men zich goed aan de snelheid, er is veel politie op straat, en de boetes zijn niet mals. Maar er wordt altijd wel iets te hard gereden. Op de snelweg waar je 65 mile per hour mag (ca. 110 km/uur), rijdt men rond de 70. Maar je ziet niet zulke grote verschillen als in NL. Vrachtauto's mogen vaak ook 65, dus soms word je ingehaald door een grote glimmende MAC... De snelheidslimieten zijn verder redelijk hetzelfde als in Nederland, maar er zijn minder standaardsnelheden. In elke straat kan de limiet weer anders zijn. In woonwijken is het meestal 25 m/h en op doorgaande wegen varieert het van 30-45 m/h. Bij scholen is het altijd 25 m/h, en je moet goed opletten waar dat is, want ook hier staan grote boetes op te hard rijden. In het algemeen rijdt men hier heel rustig. De automaat zorgt voor langzaam optrekken, en men is vrij beleefd. Wat heerlijk is, is het rijden op de cruise control! Het is heel relaxed, je zet hem op de snelheidslimiet, en je zoeft heerlijk rustig verder. Veel mensen rijden zo, wat meehelpt aan de rustige rijstijl.
Er zijn een paar verkeersregels net iets anders dan in Europa. Het grootste verschil is het STOP-sign. Veel voorrang is met deze rode stopborden geregeld. Als je met vier auto's tegelijkertijd aankomt rijden, dan mag de auto die het eerst bij zijn stopbord aankomt, als eerste het kruispunt oversteken. Ook als er niemand te zien is, moet je toch een "full stop" maken bij zo'n bord. En het gekke is, dat iedereen dat ook echt doet!
In de VS mag je "rechtsaf door rood" tenzij staat aangegeven dat het niet mag, maar dat zie je niet zoveel. De eerste keer heb je het gevoel dat je iets heel raars doet, maar na een paar maanden weet je niet beter. Je moet wel eerst een full stop maken, goed uitkijken want al het andere verkeer heeft voorrang, maar dan mag je de bocht om.
De U-turn (spreek uit joe-turn) is ook heel Amerikaans. Het betekent dat je, als je op de linkerbaan staat voorgesorteerd, je niet alleen linksaf mag gaan, maar ook 180 graden op de andere rijbaan mag draaien. Handig als je verkeerd bent gereden, en ook vaak gewoon nodig, omdat veel doorgaande wegen een middenberm hebben. Als je dus aan de overkant moet zijn, dan moet je wel U-turnen.
Rijden op de Amerikaanse snelweg, de "freeway" is een bijzondere belevenis. Meestal zijn er drie tot vijf banen per rijrichting. Er geldt het "keep your lane" systeem, wat betekent dat je in je eigen baan mag blijven hangen. Je mag links en rechts inhalen, als dat uitkomt, en je hoeft niet terug naar de rechter baan. Maar voor heel langzaam verkeer wordt wel aanbevolen om rechts te rijden. Als er iemand "achterop komt" en hij kan er even niet langs, dan zal hij niet zo gauw gaan seinen met de lichten of toeteren. Meestal wacht men rustig tot er links of rechts een gaatje komt. Er zijn verschillende types snelwegen, met als belangrijkste de Interstates, de grote verbindingen tussen verschillende staten. Op de Interstates mag je vaak 75 mile per uur, ca. 130 km/uur, dus best hard. Maar hier in de drukke Bay Area komt dat niet voor, 65 is het hardste wat ik ben tegengekomen. Helaas staan er hier erg veel files. Berucht zijn de 101 en de 880, de Bay Area equivalenten van de Nederlandse A2 en A12. Op de snelwegen zie je vaak een carpool-lane, meestal de linkerbaan. Op deze baan mag je op bepaalde tijden (tijdens de ochtend- en avondspits) niet rijden, tenzij je met 2 of meer personen in de auto zit. Ook motoren en bepaalde energiezuinige auto's mogen van de carpool-laan gebruik maken. De carpool-strook is te herkennen aan een wyber/ruitvormig symbool op het wegdek, en speciale borden, maar verder is er geen fysieke scheiding met de andere rijbanen. Buiten de spitsuren is de baan voor iedereen toegankelijk. Het is verbazingwekkend hoe men zich aan de regels houdt. In Nederland zou zoiets niet werken, want daar zouden er toch vreselijk veel mensen misbruik van maken. Maar hier in de States is men toch een stuk gedisciplineerder, al zie je hier wel veel meer politie op de weg, dat helpt natuurlijk ook wel. Nog een typisch Amerikaans verschijnsel is de gele streep, die de scheiding tussen de twee rijrichtingen aangeeft. Op de snelweg loopt de streep links naast de middenberm, maar op een gewone tweebaansweg is het de middenstreep. In bepaalde situaties waarin het onduidelijk is of een weg tweerichtingsverkeer is of niet, kan deze gele streep erg handig zijn!
Kinderen fietsen niet naar school, maar worden opgehaald per schoolbus of gebracht door de ouders. De schoolbussen zijn hier felgeel, en zijn uitgerust met rode lampen. Als de bus stopt (bij een school of om een kind op te halen) gaan de lampen branden, en moet al het verkeer stoppen, ook aan de overkant. Deze regel is heel streng, en ik ben altijd op mijn hoede als ik een schoolbus zie rijden. Er is nog een tweede soort schoolbus, tenminste, zo noemt Gerard de moeders die in hun SUV hun eigen kinderen en vaak ook nog andere kinderen naar school brengen. Een SUV is een sports utility vehicle, een grote auto, hoog op de wielen, vaak met twee achterbanken, en bijna altijd gevuld met een stel kinderen, en met een gestresste moeder achter het stuur, die net iets te laat is, en om 9 uur op haar werk moet zijn.....
Om kwart voor 9 staat er bij elke school dus een file van SUVs, kinderen met rugtassen, stressmoeders, en klaarovers. Tussen de middag blijven de kinderen vaak op school, maar om half vier begint het ritueel overnieuw.
Ik geloof dat ik nu wel de belangrijkste verschillen met het Nederlandse verkeer heb verteld! See you next time!
Einde van Deel 12: Het Relman Lab.
Ga door naar Deel 13: Emergency drill, earth quake & ezelpoep... .