Friday, June 22, 2007

Bik in Japan, deel 1: De conferentie

Tot mijn verrassing had ik een poosje geleden een uitnodiging gekregen voor een “invited lecture” op de jaarlijkse bijeenkomst van de Japanese Society for Helicobacter Research. De bacterie Helicobacter pylori veroorzaakt maagzweren. Ik doe zelf geen onderzoek naar Hp maar ik heb wel een studie gedaan naar welke andere bacterien in de maag leven, en dat verhaal wilden ze graag op de conferentie horen. Wat een eer voor mij, en helemaal geweldig omdat ik nog nooit in Japan was geweest. Gerard wel, op zakenreis, maar hij wilde graag nog een keertje omdat we er nu ook een korte vakantie aan vast zouden plakken. Dat werd dus "Bik in Japan". Met een knipoog naar de grote hit van mijn eindexamenjaar, 1984, "Big in Japan" van Alphaville.

Vanaf San Francisco is het ca. 11 uur vliegen naar Osaka. Gelukkig hebben we een persoonlijk videosysteem, en stoelen in de Economy Plus, dus de vlucht valt wel mee. Het vreemde is dat je op maandag rond het middaguur vertrekt, en op dinsdag laat in de middag aankomt! We vliegen immers over de datumgrens, voor mij de eerste keer.

In Osaka nemen we de sneltrein die ons in ca. 1 uur naar Kyoto brengt, en daarna is het nog eens 10 min met een locale trein, naar het conferentiehotel in Otsu. Het hotel ligt aan Lake Biwa, het grootste meer in Japan. Een vriend had ons al gewaarschuwd: “Probeer niet om het meer te lopen, want is mij ook niet gelukt.......”. Geen wonder, het meer is 65 km lang! Ons hotel is een hoog, modern gebouw van zeegroene en roestbruine stenen, met grappige kajuitraampjes.





Als we inchecken, ligt al een conferentiepakket klaar met “Dr. Elisabeth Bik” erop geschreven. Met veel egards wordt het tasje aan Gerard overhandigd, want een doctor, dat moet natuurlijk een man zijn! Ach ja, zo wordt het nooit wat met vrouwen in de wetenschap.

Onze hotelkamer heeft een prachtig uitzicht over het meer. De badkamer is wat eigenaardig: de douchewand staat op ca. 1 meter afstand van het bad, en de toiletbril is een ingewikkeld apparaat met veel knopjes voor waterstralen en massages. Er is zelfs een bril-verwarmer. Niet iets waar je behoefte aan hebt als het buiten 40 graden is!




Omdat de conferentie pas op donderdag begint, hebben we op woensdag nog tijd voor sightseeing. In Otsu zelf lijkt niet zoveel te beleven, dus nemen we de trein en de metro naar het Kyoto Imperial Palace. Tot 1869 was Kyoto de zetel van het keizerlijk paleis (tegenwoordig is het Tokyo). Het Imperial Palace is vele malen afgebrand en verplaatst, dus de huidige gebouwen zijn uit 1855. Niet zo oud dus, en weinig gebruikt, maar vanwege de bouwstijl en tuinen toch de moeite waard. Voor Japanners zelf is het bijna onmogelijk om het paleis te bezichtigen, maar wij buitenlanders kunnen (na vertoon van paspoort en het invullen van een formulier) wel naar binnen.

We moeten twee uur wachten tot de rondleiding begint, dus vermaken we ons in het park. Het is erg warm en benauwd, dus we huffelpuffen door het park. Er is niet zo veel te beleven, voornamelijk lange paden met grind, niet zo lekker als je sandalen aanhebt! We kopen bij elke drankautomaat een flesje fris of ijsthee, zo warm is het. Er is een aardige vijver met “gaping carp”, grote koikarpers die lucht happen, en een aardig tuintje met altaartjes. De kersenbomen in dit park zijn beroemd om hun prachtige bloesem, maar helaas zijn we daarvoor al weer twee maanden te laat!





Als we eindelijk de paleisgronden mogen betreden, blijkt de groep erg groot (150 mensen), en de onervaren gids kan het met haar megafoon bijna niet behappen. De gebouwen zijn niet zo interessant, tenzij je erg veel van Japanse architectuur afweet. De randen van de daken zijn wel erg mooi, met metaalkleurige, kunstige dakpannen.




De tuinen zijn het mooiste van het paleis. Ik ben helemaal weg van de gesnoeide coniferen, de weerspiegeling van een brug in het water, en de rustige kleuren.






Na de tour gaan we weer terug naar ons hotel in Otsu, waar we die avond verwacht worden op het “Presidential dinner” van de conferentie. Het diner is in het hotel, in een grote hal met Tatami matten, die heerlijk zacht zijn. Gelukkig maar, want we moeten onze schoenen uittrekken.

Japanse etikette voor beginners, regel 1. Trek altijd sokken zonder gaten aan. Je weet nooit of je een Tatami-mat tegenkomt.



We schudden handjes met heel veel Japanners, waaronder de president van de Helicobacter vereniging en vele organisatoren. Er zijn opvallend weinig vrouwen (behalve de vrouwen van enkele andere gastsprekers). Het is kennelijk nog slecht gesteld met Japanse vrouwen-in-de-wetenschap. Iedereen is strak in het pak en we zijn blij dat we er ook netjes uitzien. De eregast is keynote speaker Barry Marshall uit Australië. Hij is de winnaar van de Nobelprijs in 2005, die hij heeft gekregen omdat hij heeft bewezen dat Helicobacter pylori de veroorzaker is van maagzweren. Uiteraard worden er vele visitekaartjes uitgewisseld. Het is maar goed dat ik een doosje vol heb meegenomen.

Japanse etikette voor beginners, regel 2: Geef jouw visitekaartje met twee handen aan de ander, de tekst van je af, zodat de ander het niet om hoeft te draaien. Pak het visitekaartje van de ander met twee handen aan. Als je beide handelingen tegelijkertijd kunt uitvoeren ben je vast al vaker in Japan geweest. Bekijk het kaartje van je partner met aandacht, spreek de naam van de ander uit, en steek het kaartje in een net mapje wat je nog net op tijd bij je had gestoken. Steek het kaartje niet in je kontzak.

We mogen allemaal plaats nemen aan lange tafels. Gelukkig staan er stoelen en hoeven we niet op onze hurken te zitten. Er wordt nog heel wat gespeeched (voornamelijk in het Japans) voordat we iets te eten krijgen. Maar het wordt een heerlijk diner met veel vis, kommetjes met bouillon, rijst, inktvis, en een heleboel onduidelijke, maar heerlijke hapjes. Helaas kan ik het menu niet lezen, dus ik weet niet precies wat ik eet, maar het zijn een stuk of 10 gangen! Heerlijk!

Japanse etikette voor beginners, regel 3. Schenk nooit jezelf in. Als je glas leeg is, schenk je je buurman nog eens in, en hij zal je direct terugschenken. Na twee glazen wijn of bier is je buurman zo dronken dat hij niet meer merkt dat je jezelf inschenkt.

Op de eerste dag van de conferentie moet ik mijn praatje houden. Het gaat gelukkig goed, al kan ik de rest van de sessie niet echt volgen. Bijna alle andere praatjes zijn in het Japans, en ook de meeste dia’s zijn niet te lezen. Grappig genoeg staan er wel af en toe leesbare woorden tussen, zoals “Helicobacter” en “virulence factor”.

’s Avonds zijn alle deelnemers aan de conferentie uitgenodigd aan boord van de Michigan, een Amerikaanse radarboot die elke twee uur vanaf de kade vertrekt voor een rondje Lake Biwa. Kwamen we daarvoor naar Japan? Zucht. Terwijl we aan de werf staan te wachten tot we aan boord mogen, worden we vermaakt met wat dansjes en vlaggengezwaai van een paar Japanners en Amerikaanse uitwisselingsstudenten. Het is een beetje flauw en de vlaggen vallen wel erg vaak op de grond. Een vals draaiorgeltje speelt “When the saints go marching in”, maar we hadden het deuntje al 24 uur lang gehoord vanuit onze hotelkamer, dus de lol was er inmiddels wel af. Er is een Japanse jongen die net heeft leren jongleren, en een meisje dat heel goed haar rechter been omhoog kan gooien, wat ze een keer of 10 achter elkaar laat zien. Kennelijk was ze nooit verder gekomen met balletles. Mogen we al aan boord?



Eenmaal aan boord zijn weer veel toespraken en iedereen wil met Barry op de foto. Het buffet is gelukkig heerlijk. Na het eten gaan Gerard en ik op het dek kijken. Gerard ontdekte de oude stuurhut, en moest natuurlijk even “achter het stuur”. Stoer, niet?





Na het dinerbuffet geeft het amusementsteam weer een optreden, ditmaal versterkt met een matige zangeres met gitaar. De Japanse dame strekt haar rechterbeen weer omhoog, de jongen jongleert weer wat, en men probeert het publiek mee te laten klappen, maar de sfeer komt er niet echt in. Pas als er een tiental wasborden met borstels aan het publiek worden uitgereikt wordt het een beetje gezellig. Maar toen was de show alweer afgelopen, en met een laatste beengroet van het mislukte ballerinaatje nemen de studenten afscheid. Gaap. Mogen we al van boord?



De conferentie duurt eigenlijk twee dagen, maar ik heb mijn plicht wel gedaan, dus Gerard en ik nemen op vrijdag de trein naar Kyoto. We besluiten enkele van de vele tempels in de stad te bekijken. Helaas regent het – juni is regenmaand in Japan - maar voor 5 dollar kopen we een hele mooie paraplu. Eerst gaan we naar de Konchi-in tuin, een indrukwekkende Japanse tuin met Zen-garden, een vijver met waterlelies en schildpadjes, en een kleine begraafplaats.







Daarna lopen we naar de Nanzen-ji tempel, waar we (uiteraard zonder schoenen!) over de houten plankieren door de gebouwen lopen. Er zijn prachtige tuinen en doorkijkjes. Ook hier is weer een Zen tuin met schitterend aangeharkt grind.





Achter de Nanzen-ji tempel is een andere shrine, de Kotoku-an. Vanwege het slechte weer zijn we de enige bezoekers, dus we kunnen op ons gemak rondkijken. Een stukje verderop zouden volgens onze reisgids pelgrims moeten staan te bidden onder een waterval. De waterval vinden we wel, maar de pelgrims zaten lekker thuis!





Helemaal natgeregend besluiten we dat iets overdekts gaan bezichtigen. Het wordt de Nishiki markt, de grootste en mooiste van Kyoto. Het is een feest om langs de stalletjes met vis, groenten, en andere etenswaren te lopen. Japanners zijn een ster in het mooi presenteren van eten, en het water loopt je gewoon in de mond.






Die avond is Gerard het Japanse eten even helemaal zat, en we eten een lekkere pizza in een Italiaans restaurant.

1 comment:

caatje said...

nou weet ik het zeker..ik had door moeten leren, was ik als vrouw met je mee geweest naar landen als japan.. wat heerlijk. Heb zitten genieten van je verhaal en fotoos hier in groningen in het gebouw van Humanitas wat vroeger een klooster was (ook interessant!)... liefs, Caroline