Wednesday, June 27, 2007

Bik in Japan, deel 4: How To See Tokyo In One Day

Onze laatste dag in Japan, en we hebben besloten om vanuit Kyoto “even” een dagje naar Tokyo te gaan. De bullettrein Shinkansen brengt ons in drie uur naar de hoofdstad. Helaas is het onderweg bewolkt want anders hadden we Mount Fuji misschien wel kunnen zien. We stappen uit bij Tokyo Station, dat verdacht veel op Amsterdam Centraal CS lijkt.




Het station ligt in een zakenwijk, met hoge gebouwen. Helaas regent het een beetje, en dat terwijl er mooi weer was voorspeld.....




Het is ca. 15 min lopen naar het Tokyo Imperial Palace, waar de keizerlijke familie woont. De bereden politie houdt hier toezicht, maar echt veel gezag hebben de uniformen niet. Drommen Japanse meisjes willen giechelend met de mannen op de foto. Je mag zonder schriftelijke toestemming vooraf het paleis niet in, dus we volstaan met een blik naar de Meganebashi Bridge, de Bril brug.





We lopen naar het volgende JR station (er loopt een handige stadsring, waar we met onze Japan Rail Pass gratis mee mogen reizen), en pakken de trein naar Shinjuku, het drukste station ter wereld. Dit ligt middenin het financiele district in Tokyo. Gerard is hier al vaker geweest, op zakenreis, en hij vertelt hoe het hier in de ochtendspits een zee van mensen is. Tot mijn verbazing loopt Gerard ineens in een huppelpas een grote winkel binnen. Hij is hier echt al vaker geweest! Het blijkt de Yodabashi Camera Store te zijn. Acht verdiepingen electronica, apparatuur, computers, fototoestellen, muismatjes, en printers.




Dit is een echte mannenwinkel, en ik verveel me een beetje. Maar gelukkig hebben ze een hele verdieping vol met stofzuigers en WC-brillen. De duurste WC-bril is 600 dollar, maar dan heb je ook wel wat. Het raarste item dat ik vind is een soort snijboonsnijder, waar je een CD in kon zetten. Uuuuuuhhh????





Na een uur is zelfs Gerard uitgekeken, en kunnen we verder met de sightseeing. We lopen naar het Tokyo Municipal Government Building, de Japanse versie van de Twin Towers. Met een lift gaan we naar boven naar de 45-ste verdieping. Niet zo hoog als in New York, maar toch een heel leuk uitzicht over de stad. Jammer dat het zo bewolkt is, want nu zien we alleen de dichtstbijzijnde wolkenkrabbers.





We eten een hapje in het restaurant op de bovenste verdieping, en gaan met de trein naar het Harajuku station. Vandaaruit is het een kwartier lopen naar de Meiji Jingu Shinto shrine. We hadden het heiligdom al vanuit de uitzichtstoren zien liggen, middenin de drukke stad, tussen de wolkenkrabbers in, in een groene zee van bomen. Op de weg richting de tempel staan een aantal grote saké-vaten.




Bij de tempel hangen weer de bekende houten gebedsbordjes. Maar hier, heel slim, staat in het Engels wat het zijn, hoe duur ze zijn, en waar je ze kunt kopen. Er hangen dan ook heel wat bordjes in het Engels, en de verhalen zijn soms ontroerend.





We stappen weer in de trein voor de volgende bezienswaardigheid, het plein voor het Shibuya station. Dit plein doet aan Times Square in New York denken, met metershoge reclames en televisieschermen.




We komen hier voor de knotsgekke voetgangers-oversteekplaats, waar – bij groen licht – vanaf alle kanten grote mensenmassa’s het plein oversteken. We drinken een ijskoffie bij de Starbucks, en kunnen vanaf de tweede verdieping de golven van mensen gadeslaan.





We hebben nog tijd voor een tripje met de monorail naar het Odaiba eiland. Op dit kunstmatige eiland staan veel nieuwe flats en winkelcentra. Het is een spectaculaire rit, want de monorail is onbemand, en we maken een 270 graden bocht richting de brug. We stappen niet uit, want dat bespaart ons weer een kaartje voor de terugreis.....




Met de trein en de metro gaan we vervolgens naar de Senso-ji tempel in de wijk Asakusa, een Buddhistisch heiligdom met gigantische papieren lantarens. Kijk maar, dat kleine manneke onder de lantaarn in de toegangspoort is mijn Gerard! Aan een andere poort hangen niet minder grote rieten sandalen. Het nut is niet helemaal duidelijk, maar het levert wel weer een leuk plaatje op.




Bij de tempel zelf hangt weer zo’n grote lantaarn, en we kijken een poosje naar de biddende bezoekers. Naast de tempel staat een klein gebouwtje met een rijtje telefoons. Bellen met Buddha?





Op de weg terug naar het metrostation passeren we nog een klein-maar-fijn Buddha altaartje, en winkels met samurai-zwaarden.




De dag loopt ten einde. Gerard heeft nog niet genoeg van electronica, dus we maken een laatste stop bij Akihabara Electric Town. Terwijl het snel donker wordt, loopt Gerard glimmend van geluk tussen de knopjes, plugjes, draadjes en snoertjes.




Daarna moeten zo langzamerhand terug naar het Tokyo CS, voor onze trein naar Kyoto. We zitten drie uur in de trein, slapen onze laatste nacht in ons hotel op Kyoto Station, en vliegen de volgende dag veilig terug naar San Francisco. Sayounara!


Monday, June 25, 2007

Bik in Japan, deel 3: Herten en vossen

De laatste drie nachten logeren we in hotel Granvia, bovenop de stationshal van Kyoto. Kyoto Station is een prachtig groot gebouw, en Gerard en ik waren helemaal weg van de moderne architectuur. De stationshal is 470 m lang, en maar liefst 70 m hoog.





Ons hotel bevindt zich aan de ene kant van de hal en aan de overkant zit het warenhuis Isetan. Langs het warenhuis gaat een reeks roltrappen omhoog, helemaal naar het dak van het station. Op de vierde etage begint een brede “gewone” trap van 171 treden die op de elfde etage uitkomt. Elk jaar wordt er een race gehouden, wie het eerst bovenaan de trap is! Op het internet staan een paar leuke filmpjes van anderen, die een goed idee geven van het gebouw (gefilmd vanaf ons hotel, helemaal naar boven, duurt 8 min!), en de grote trap (op zijn kant bekijken).
Het plafond is helemaal geweldig, een gigantische overkapping van glazen platen en stalen buizen.




De elfde verdieping van de hal bestaat helemaal uit restaurantjes. We hebben inmiddels wel trek gekregen, en ik loop helemaal te watertanden bij het zien van al die smakelijke menu-modellen in de etalage. Maar Gerard kan geen sushi meer zien, en we komen uit bij een “omelet” restaurant. Jammer.




Na het eten lopen we via een heel spannende stalen loopbrug langs het plafond van de hal weer richting hotel. Mmm, de loopbrug is inderdaad heel spannend, want hier blijken alle tieners van Kyoto elkaar te ontmoeten. In groepjes van 2 wel te verstaan. In elke hoek of nis staat wel een koppeltje te zoenen....



Tegenover het station staat Kyoto Tower, een soort space-toren, die ’s avonds wel aardig verlicht is, maar overdag eigenlijk gewoon heel lelijk is.



De volgende dag, maandag, gaan we met de trein naar Nara, de oude hoofdstad van Japan (van 710 tot 784). Nara is beroemd vanwege de Todai-ji tempel en de vele herten die door de hele stad lopen. De herten worden als boodschappers van de goden beschouwd, en ze zijn erg tam en moddervet van alle koekjes die de toeristen aan ze voeren.




De Todai-ji, een Buddha tempel complex, is een UNESCO World Heritage site. Het is een halfuurtje lopen vanaf het station, en we moeten wat herten van ons afslaan, maar daar komen we dan toch bij het eerste gebouw, een oude houten poort met twee indrukwekkend grote beelden van "poortwachters". Aan de zijkant van de poort is een groep mannen bezig een lampion naar beneden te halen. Met een knipoog naar de standaard Amerikaanse grap: How many Japanese does it take to change a light bulb?




Het hoofdgebouw is inderdaad quite impressive. En dan te bedenken dat het originele gebouw (het huidige stamt uit 1709) nog groter was!




Het gebouw moest ook wel groot zijn, want binnen in staat het grootste Buddha-beeld van Japan. Het bronzen beeld is 16 m hoog, de ogen zijn 1 meter breed en de oren 3 meter lang!




Achter het beeld is een pilaar met een gat erin, waardoorheen kinderen kruipen. We wagen ons er maar niet aan. Het staat ook zo slordig als je halverwege blijft steken....





Op weg naar twee tuinen vlakbij de Todai-ji lopen we langs een witte muur, en daar ontdek ik deze spin. IIIIIIEEEEEE. Maar hij zit mooi stil en eigenlijk is-ie best mooi. Met wat speurwerk op het internet kom ik erachter hoe hij heet: Argiope amoena.



De twee tuinen die we willen bekijken liggen vlak naast elkaar. Da’s handig. De eerste tuin heeft een groot “grasveld” van mos. Als je het mos in close-up bekijkt, dan zie je waarom het cedermos heet: het zijn net kleine sparretjes.





In de tweede tuin, Isui-en, is heel handig het landschap van de omringende bergen “geleend” zodat je niet kunt zien waar de tuin ophoudt. Er is een mooie vijver, en elke boom is zorgvuldig gesnoeid. Er zijn bijna geen bloemen, maar de vele kleuren groen zijn eigenlijk al heel mooi.




Vlakbij de Buddha-tempel is nog een ander heiligdom, met een pagoda met vijf daken (dan weet je tenminste zeker dat je droogzit), een trap met rode vlaggen, en kleine altaartjes met stenen die gezellige schortjes aanhebben.






In de trein terug naar Kyoto zien we hoe de machinist met zijn witte handschoentjes naar elk sein wijst. We dachten eerst dat er misschien een camera bij elk sein staat, maar later horen we dat de machinisten het zo tijdens hun opleiding leren. Ze moeten zich heel bewust zijn dat het licht op groen staat, en daarom wijzen ze, en mompelen ze “groen”. Het ziet er vreemd uit, maar de Japanse treinen rijden stipt op tijd, en er gebeuren bijna geen ongelukken.



We stappen uit in Kyoto voor een bezoek aan het Fushimi-inari-taisha heiligdom. Op de voorkant van onze reisgids stond een plaatje van een rij rode houten bogen, en daar wilde ik graag heen! Dit was weer een Shinto heiligdom, gebouwd ter ere van de geest Inari, beschermer van rijst en sake. Links en rechts staan met mos begroeide beeldjes van vossen, de kitsune. De beeldjes hebben vaak een sleutel in hun bek, die toegang geeft tot de graanschuur.




Standaard bij elk Shinto heiligdom is de “wasstraat” waar je even snel je gezicht en handen kunt spoelen met houten pollepels.



Elk heiligdom heeft ook een winkeltje - want je moet tenslotte toch ergens je gebedsbordjes kopen - en deze is versierd met vrolijke lampionnetjes. Leuk detail: de houten gebedsbordjes zijn in de vorm van vossekopjes!





En dan opeens staan ze daar: honderden rode, houten poortjes, vlak achter elkaar. De torii vormen een lange gang waar bijna geen licht door naar binnen kan komen, en het is best een beetje spooky zo aan het eind van de middag. Op de palen staan de namen van sponsors. Niet dat ik Japans kan lezen, maar zo stond het in de reisgids, en die geloven we dan maar.





De rode gang slingert omhoog de berg op. Af en toe stoppen de poortjes even, maar een stukje verderop gaat het gewoon verder. Het zijn echt duizenden poortjes achter elkaar, en ik vind het geweldig mooi. Dit complex komt ook voor in de film Memoirs of a Geisha.

Het pad komt uit bij een meertje, met vele altaartjes en grafstenen. Sommige stenen zijn opgesierd met vossenbeeldjes of miniatuur torii.




Als we aan het eind van de dag weer in ons hotel zijn, moet ik nog druk aan de slag: we gaan morgen, onze laatste volle dag hier, naar Tokyo. We waren vergeten om een boekje mee te nemen, maar gelukkig hebben we internet op onze hotelkamer, en kan ik dus wat voorbereiden. Tokyo, here we come!

Sunday, June 24, 2007

Bik in Japan, deel 2: Trip naar Toba

Het weekend na de conferentie zijn alle invited speakers met aanhang uitgenodigd voor een tripje naar het schiereiland Toba. Vandaag en morgen gaan we met de invited speakers, aanhang, en organisatoren op een tripje naar het schiereiland Toba.

Met een stuk of 15 man/vrouw vertrekken we om half 11 ’s ochtends vanuit ons hotel, in een kleine bus die opgepimpt is met een sjieke kroonluchter-lamp. Onderweg geniet ik van het groene landschap met traditionele Japanse huizen en rijstvelden.






We rijden richting het zuidoosten naar Shigaraki, een dorpje dat beroemd is om zijn Tanuki pottery winkels. De Tanuki is soort hond die in oost Azie voorkomt. De Tanuki-beeldjes hebben een dikke buik, een hoed, een fles sake in de ene hand en een lege tas in de andere hand. Don’t ask.




Na drie uur rijden bereiken we de Ise Shrine, een oud Shinto tempel complex. Het is voor Shinto gelovers hetzelfde als Mekka voor Islamieten, je moet er minstens 1x in je leven heen. Maar hoewel het heiligdom al rond het jaar 600 was opgericht, zijn de gebouwen nieuw, omdat ze elke 20 jaar herbouwd moeten worden. De huidige gebouwen dateren uit 1993, en in 2013 wordt alles dus weer gesloopt en herbouwd.

Via de houten Uji brug over de Isuzu rivier lopen we richting het heiligdom. Het pad buigt naar rechts en we lopen langs prachtig gesnoeide bomen. Even verderop staat een houten overkapping met een soort drinktrog. Het is de bedoeling dat je met een grote houten pollepel je handen wast en je mond spoelt, als een soort reiniging. We wassen onze handen maar omdat de meesten van ons gezelschap microbiologen zijn slaan we de mondspoeling maar over.





Langs enkele andere gebouwen loopt het pad richting het heiligdom, de Kotaijingu. Een stenen trap leidt omhoog tot aan een hek. Verder mogen we niet komen en je mag ook geen foto’s maken. Indrukwekkend is om te zien hoe de bezoekers eerst wat muntjes in een houten kist gooien en een grote bel luiden (om de aandacht van de goden te krijgen), vervolgens twee keer een diepe buiging maken, twee keer klappen, daarna een kort gebed doen met de handen tegen elkaar. Daarna nog een buiging en dat is het. Heel eenvoudig en direct.





We zijn in Japan, dus uiteraard moeten er met alle camera’s groepsfoto’s gemaakt worden. Daarna lopen we langs de “tempelwinkel” waar je gebedsbordjes en kaartjes kunt kopen.




Na al deze indrukken wordt het tijd voor een verfrissing, en we lopen door het gezellige hoofdstraatje van Ise. Er zijn veel fotogenieke geveltjes en winkeltjes.






We zijn uitgenodigd voor een eenvoudige thee-ceremonie in een Akafuku cafe. Akafuku is een zoete lekkernij, gemaakt van een dikke witte rijstpap (mochi) en pap gemaakt van Azuki bonen, een rood, zoet boontje. Dat klonk voor ons niet echt als een delicatesse, maar we waren toch benieuwd hoe het zou smaken. In de winkel kijken we naar twee vrouwen die met mond- en haarkapjes op – maar zonder handschoenen- balletjes witte pap maken en daar een laagje rode pap omheen rollen.




Onze groep mag in een van de zaaltjes op de tweede verdieping zitten voor de thee-ceremonie. De schoenen moeten uit, en via een heel eng trapje lopen we naar boven. Daar nemen we plaats op de inmiddels bekende, heerlijk zachte tatami matten. Voor ons westerlingen valt het niet mee om op de grond te zitten. De dunne kleine Japanners gaan heel elegant op hun knieen (seiza, voor de vrouwen) of in lotushouding (voor mannen) zitten, maar met onze dikke billen zit dat behoorlijk ongemakkelijk.
Iedereen krijgt een zwart dienblad met een glas heldere groene thee (thin tea), een kop dampende, schuimende troebele thee (thick tea), en een schaaltje met een stukje kunstig geknede Akafuku die je met een stokje moet eten. Yoko, de vrouw van de organisator, doet ons voor hoe je de thee moet drinken: je pakt de theekom, zet hem op je linkerhand, draait hem een slag, en dan neem je drie grote slokken. Als het goed is zit er dan alleen nog schuim in. Dat slurp je met veel geluid naar binnen (yeah!). Daarna draai je de kom weer een stukje, en zet je hem terug op het blad. Best lastig hoor. We doen het vast verkeerd.




Na de thee-ceremonie is het nog een klein stukje rijden richting ons hotel in Toba. De kamers zijn wat gedateerd, maar het uitzicht over de baai en de zee is prachtig.




Die avond worden we onthaald op een fantastisch diner. De tafel is prachtig gedekt, en we krijgen weer een stuk of 10 gangen, met vele prachtig opgemaakte hapjes kreeft en vis, en kommetjes rijst en bouillon. Gerard probeert alle kreeftenpoten en vissenkoppen mijn kant op de duwen, want hij heeft het liefst eten dat er niet als een beest uitziet. Sommige westerlingen hebben nog wel wat stokjes-les nodig!






Bij het eten krijgen we wijn, bier en sake, allemaal tegelijkertijd. Het is grappig om te zien hoe snel Japanners dronken worden. Veel Aziaten missen namelijk de enzymen die alcohol snel af kunnen breken. Daar zit je dan, tussen een stelletje stomdronken Japanners.......



Opeens roept iemand “Karaoke!” en voor we er erg in hebben worden we met het hotelbusje naar een zaaltje gebracht. Ik vind het erg leuk, en er zijn gelukkig genoeg Engels-talige liedjes om uit te kiezen. Met een gezamelijk “I did it my way” besluiten we de avond.





De volgende ochtend regent het helaas, maar gelukkig is de eerste stop een bezoek aan het Toba Aquarium. Het is net zoiets als het Monterey Bay Aquarium, een goed opgezet museum met grote bassins vol met haaien, zeeschildpadden en manatees (zeekoeien). En natuurlijk heel veel kleine aquaria met zeepaardjes, Nemo visjes, en kwallen. We hebben slechts een uur gekregen om het aquarium te bekijken, en we moeten flink doorstappen om het allemaal te zien. Bij de uitgang maken we de geijkte groepsfoto. Maar waar wijzen we eigenlijk naar?





De volgende bezienswaardigheid is het Mikomoto Pearl Island. Meneer Mikomoto ontdekte in 1893 hoe je parels kunt kweken, door een stukje van de oester-mantel en een klein rond knikkertje in een oester in te planten. Op het eiland is een leuke tentoonstelling over de parelkweek.




We krijgen ook een demonstratie van de Ama duikers te zien. De ama zijn meestal vrouwen (vrouwen kunnen langer hun adem inhouden en hebben meer vet waardoor ze langer in het koude water kunnen blijven) die hun geld verdienden met het inplanteren en oogsten van de oesters. Het was een gevaarlijke, maar goed verdienende baan. Tegenwoordig zijn er bijna geen ama meer omdat de kweek nu in grote netten plaatsvindt, die gemakkelijk omhoog gehaald kunnen worden.





Na de demonstratie worden we heel slinks in de Pearl Shop gelokt, maar de parelsnoeren zijn wel heel erg prijzig. Of heeft Gerard toch.......?





We lunchen in het restaurant op het pareleiland. Ik neem een prachtige lunchbox met sushi, noedels, een kommetje soep en lekkere stukjes vis en garnaal. Gerard neemt maar een veilige kom rijst met vlees.



Na de lunch rijden we terug richting ons hotel in Otsu. De trip duurt ca. 3 uur, onderbroken met een stop halverwege bij een wegrestaurant. Daarna gaan we met een taxi (het giet nog steeds) naar het JR station in Otsu, vanwaaruit we de trein nemen naar Kyoto Station.

Friday, June 22, 2007

Bik in Japan, deel 1: De conferentie

Tot mijn verrassing had ik een poosje geleden een uitnodiging gekregen voor een “invited lecture” op de jaarlijkse bijeenkomst van de Japanese Society for Helicobacter Research. De bacterie Helicobacter pylori veroorzaakt maagzweren. Ik doe zelf geen onderzoek naar Hp maar ik heb wel een studie gedaan naar welke andere bacterien in de maag leven, en dat verhaal wilden ze graag op de conferentie horen. Wat een eer voor mij, en helemaal geweldig omdat ik nog nooit in Japan was geweest. Gerard wel, op zakenreis, maar hij wilde graag nog een keertje omdat we er nu ook een korte vakantie aan vast zouden plakken. Dat werd dus "Bik in Japan". Met een knipoog naar de grote hit van mijn eindexamenjaar, 1984, "Big in Japan" van Alphaville.

Vanaf San Francisco is het ca. 11 uur vliegen naar Osaka. Gelukkig hebben we een persoonlijk videosysteem, en stoelen in de Economy Plus, dus de vlucht valt wel mee. Het vreemde is dat je op maandag rond het middaguur vertrekt, en op dinsdag laat in de middag aankomt! We vliegen immers over de datumgrens, voor mij de eerste keer.

In Osaka nemen we de sneltrein die ons in ca. 1 uur naar Kyoto brengt, en daarna is het nog eens 10 min met een locale trein, naar het conferentiehotel in Otsu. Het hotel ligt aan Lake Biwa, het grootste meer in Japan. Een vriend had ons al gewaarschuwd: “Probeer niet om het meer te lopen, want is mij ook niet gelukt.......”. Geen wonder, het meer is 65 km lang! Ons hotel is een hoog, modern gebouw van zeegroene en roestbruine stenen, met grappige kajuitraampjes.





Als we inchecken, ligt al een conferentiepakket klaar met “Dr. Elisabeth Bik” erop geschreven. Met veel egards wordt het tasje aan Gerard overhandigd, want een doctor, dat moet natuurlijk een man zijn! Ach ja, zo wordt het nooit wat met vrouwen in de wetenschap.

Onze hotelkamer heeft een prachtig uitzicht over het meer. De badkamer is wat eigenaardig: de douchewand staat op ca. 1 meter afstand van het bad, en de toiletbril is een ingewikkeld apparaat met veel knopjes voor waterstralen en massages. Er is zelfs een bril-verwarmer. Niet iets waar je behoefte aan hebt als het buiten 40 graden is!




Omdat de conferentie pas op donderdag begint, hebben we op woensdag nog tijd voor sightseeing. In Otsu zelf lijkt niet zoveel te beleven, dus nemen we de trein en de metro naar het Kyoto Imperial Palace. Tot 1869 was Kyoto de zetel van het keizerlijk paleis (tegenwoordig is het Tokyo). Het Imperial Palace is vele malen afgebrand en verplaatst, dus de huidige gebouwen zijn uit 1855. Niet zo oud dus, en weinig gebruikt, maar vanwege de bouwstijl en tuinen toch de moeite waard. Voor Japanners zelf is het bijna onmogelijk om het paleis te bezichtigen, maar wij buitenlanders kunnen (na vertoon van paspoort en het invullen van een formulier) wel naar binnen.

We moeten twee uur wachten tot de rondleiding begint, dus vermaken we ons in het park. Het is erg warm en benauwd, dus we huffelpuffen door het park. Er is niet zo veel te beleven, voornamelijk lange paden met grind, niet zo lekker als je sandalen aanhebt! We kopen bij elke drankautomaat een flesje fris of ijsthee, zo warm is het. Er is een aardige vijver met “gaping carp”, grote koikarpers die lucht happen, en een aardig tuintje met altaartjes. De kersenbomen in dit park zijn beroemd om hun prachtige bloesem, maar helaas zijn we daarvoor al weer twee maanden te laat!





Als we eindelijk de paleisgronden mogen betreden, blijkt de groep erg groot (150 mensen), en de onervaren gids kan het met haar megafoon bijna niet behappen. De gebouwen zijn niet zo interessant, tenzij je erg veel van Japanse architectuur afweet. De randen van de daken zijn wel erg mooi, met metaalkleurige, kunstige dakpannen.




De tuinen zijn het mooiste van het paleis. Ik ben helemaal weg van de gesnoeide coniferen, de weerspiegeling van een brug in het water, en de rustige kleuren.






Na de tour gaan we weer terug naar ons hotel in Otsu, waar we die avond verwacht worden op het “Presidential dinner” van de conferentie. Het diner is in het hotel, in een grote hal met Tatami matten, die heerlijk zacht zijn. Gelukkig maar, want we moeten onze schoenen uittrekken.

Japanse etikette voor beginners, regel 1. Trek altijd sokken zonder gaten aan. Je weet nooit of je een Tatami-mat tegenkomt.



We schudden handjes met heel veel Japanners, waaronder de president van de Helicobacter vereniging en vele organisatoren. Er zijn opvallend weinig vrouwen (behalve de vrouwen van enkele andere gastsprekers). Het is kennelijk nog slecht gesteld met Japanse vrouwen-in-de-wetenschap. Iedereen is strak in het pak en we zijn blij dat we er ook netjes uitzien. De eregast is keynote speaker Barry Marshall uit Australië. Hij is de winnaar van de Nobelprijs in 2005, die hij heeft gekregen omdat hij heeft bewezen dat Helicobacter pylori de veroorzaker is van maagzweren. Uiteraard worden er vele visitekaartjes uitgewisseld. Het is maar goed dat ik een doosje vol heb meegenomen.

Japanse etikette voor beginners, regel 2: Geef jouw visitekaartje met twee handen aan de ander, de tekst van je af, zodat de ander het niet om hoeft te draaien. Pak het visitekaartje van de ander met twee handen aan. Als je beide handelingen tegelijkertijd kunt uitvoeren ben je vast al vaker in Japan geweest. Bekijk het kaartje van je partner met aandacht, spreek de naam van de ander uit, en steek het kaartje in een net mapje wat je nog net op tijd bij je had gestoken. Steek het kaartje niet in je kontzak.

We mogen allemaal plaats nemen aan lange tafels. Gelukkig staan er stoelen en hoeven we niet op onze hurken te zitten. Er wordt nog heel wat gespeeched (voornamelijk in het Japans) voordat we iets te eten krijgen. Maar het wordt een heerlijk diner met veel vis, kommetjes met bouillon, rijst, inktvis, en een heleboel onduidelijke, maar heerlijke hapjes. Helaas kan ik het menu niet lezen, dus ik weet niet precies wat ik eet, maar het zijn een stuk of 10 gangen! Heerlijk!

Japanse etikette voor beginners, regel 3. Schenk nooit jezelf in. Als je glas leeg is, schenk je je buurman nog eens in, en hij zal je direct terugschenken. Na twee glazen wijn of bier is je buurman zo dronken dat hij niet meer merkt dat je jezelf inschenkt.

Op de eerste dag van de conferentie moet ik mijn praatje houden. Het gaat gelukkig goed, al kan ik de rest van de sessie niet echt volgen. Bijna alle andere praatjes zijn in het Japans, en ook de meeste dia’s zijn niet te lezen. Grappig genoeg staan er wel af en toe leesbare woorden tussen, zoals “Helicobacter” en “virulence factor”.

’s Avonds zijn alle deelnemers aan de conferentie uitgenodigd aan boord van de Michigan, een Amerikaanse radarboot die elke twee uur vanaf de kade vertrekt voor een rondje Lake Biwa. Kwamen we daarvoor naar Japan? Zucht. Terwijl we aan de werf staan te wachten tot we aan boord mogen, worden we vermaakt met wat dansjes en vlaggengezwaai van een paar Japanners en Amerikaanse uitwisselingsstudenten. Het is een beetje flauw en de vlaggen vallen wel erg vaak op de grond. Een vals draaiorgeltje speelt “When the saints go marching in”, maar we hadden het deuntje al 24 uur lang gehoord vanuit onze hotelkamer, dus de lol was er inmiddels wel af. Er is een Japanse jongen die net heeft leren jongleren, en een meisje dat heel goed haar rechter been omhoog kan gooien, wat ze een keer of 10 achter elkaar laat zien. Kennelijk was ze nooit verder gekomen met balletles. Mogen we al aan boord?



Eenmaal aan boord zijn weer veel toespraken en iedereen wil met Barry op de foto. Het buffet is gelukkig heerlijk. Na het eten gaan Gerard en ik op het dek kijken. Gerard ontdekte de oude stuurhut, en moest natuurlijk even “achter het stuur”. Stoer, niet?





Na het dinerbuffet geeft het amusementsteam weer een optreden, ditmaal versterkt met een matige zangeres met gitaar. De Japanse dame strekt haar rechterbeen weer omhoog, de jongen jongleert weer wat, en men probeert het publiek mee te laten klappen, maar de sfeer komt er niet echt in. Pas als er een tiental wasborden met borstels aan het publiek worden uitgereikt wordt het een beetje gezellig. Maar toen was de show alweer afgelopen, en met een laatste beengroet van het mislukte ballerinaatje nemen de studenten afscheid. Gaap. Mogen we al van boord?



De conferentie duurt eigenlijk twee dagen, maar ik heb mijn plicht wel gedaan, dus Gerard en ik nemen op vrijdag de trein naar Kyoto. We besluiten enkele van de vele tempels in de stad te bekijken. Helaas regent het – juni is regenmaand in Japan - maar voor 5 dollar kopen we een hele mooie paraplu. Eerst gaan we naar de Konchi-in tuin, een indrukwekkende Japanse tuin met Zen-garden, een vijver met waterlelies en schildpadjes, en een kleine begraafplaats.







Daarna lopen we naar de Nanzen-ji tempel, waar we (uiteraard zonder schoenen!) over de houten plankieren door de gebouwen lopen. Er zijn prachtige tuinen en doorkijkjes. Ook hier is weer een Zen tuin met schitterend aangeharkt grind.





Achter de Nanzen-ji tempel is een andere shrine, de Kotoku-an. Vanwege het slechte weer zijn we de enige bezoekers, dus we kunnen op ons gemak rondkijken. Een stukje verderop zouden volgens onze reisgids pelgrims moeten staan te bidden onder een waterval. De waterval vinden we wel, maar de pelgrims zaten lekker thuis!





Helemaal natgeregend besluiten we dat iets overdekts gaan bezichtigen. Het wordt de Nishiki markt, de grootste en mooiste van Kyoto. Het is een feest om langs de stalletjes met vis, groenten, en andere etenswaren te lopen. Japanners zijn een ster in het mooi presenteren van eten, en het water loopt je gewoon in de mond.






Die avond is Gerard het Japanse eten even helemaal zat, en we eten een lekkere pizza in een Italiaans restaurant.

Wednesday, June 13, 2007

Marfa, David en oom Leen naar Carmel

Sinds kort zijn Gerard en ik lid van een zwem- en tennisclub hier vlakbij. Tjonge, wat klinkt dat sjiek, niet? De Fairbrae club zit op letterlijk 2 min lopen van ons huis. Er is een zwembad waar we elke dag van 6-22 uur mogen zwemmen. Het water is verwarmd, dus ook in de winter kun je heerlijk baantjes trekken, en in de zomer zijn er in het weekend barbecues en feesten.

Terwijl ik die maandag ging werken, ging Gerard met onze gasten lekker zwemmen in de club. Hier zie je oom Leen aan het baantjes trekken.



De avond gingen we heerlijk uit eten bij Xanh, een nieuw en heel lekker Vietnamees restaurant in Mountain View. Een van onze grote favorieten!



Dinsdag nam ik weer vrij om met onze gasten naar Carmel te gaan. Het is ca. anderhalf uur rijden naar dit leuke plaatsje, en het was heerlijk om de zee weer eens te zien.




Er lagen grote slierten zeewier (kelp) op het strand. De kleuren van de zee, de lucht en het strand waren prachtig. Wat een geweldige dag!





De straatjes van Carmel zijn erg leuk, met kleine galerietjes, leuke huisjes, en veel bloembakken. Een van de huisjes is de Cottage Of Sweets, waar ze zelfs drop verkopen. Het is een schattig winkeltje. We dronken koffie op een terrasje op een piepklein pleintje.





We reden een stukje van de beroemde Highway One, de bochtige kustweg langs de Pacific Ocean.




Het aanleggen van Highway One, van 1919 tot 1937, is een waar kunststukje geweest. Er zijn een paar mooie fotogenieke bruggen gebouwd, waaronder de Rocky Creek Bridge uit 1932.




Na dit autoritje gingen we wandelen in Point Lobos, een prachtig state park waar we maar niet genoeg van krijgen. Zee, rotsen, zeevogels, zeeotters, en natuurlijk altijd een hongerig eekhoorntje.





We hadden verrekijkers meegenomen en zagen zeeotters, pelikanen, zeeleeuwen, en aalscholvers.






Met zo'n prachtige omgeving blijf ik foto's maken. Gelukkig maar dat we een digitaal fototoestel hebben, want anders had ik heel wat fotorolletjes moeten kopen!





Na de strandwandeling gingen we het bos in. Eerst kruiste er een eekhoorntje ons pad, toen een hert, en daarna genoten we van de lace lychen, de hangende mossige draden in de bomen.





Na een kleine klim hadden we weer zo'n fantastisch doorkijkje op de baai van Carmel.





Tenslotte kwamen we bij de Whaler's hut, met walvisbotten en een kookpot. Oom Leen kon de verleiding niet weerstaan....


Saturday, June 09, 2007

Marfa, David en oom Leen in San Francisco

De tweede week van juni kregen we weer bezoek uit Nederland. Dit keer kwamen Marfa, een (ex-)collega van mij uit Nieuwegein, met haar zoon David en oom Leen. Marfa had een conferentie in San Jose, maar ze wilde eerst nog een rondreis maken door de Southwest.

Uiteraard nam ik (Gerard bleef thuis werken) ze de eerste dag mee naar San Francisco. We deden min of meer hetzelfde rondje als met Frans en Willy (zie twee posts geleden) want het blijft toch een fantastische stad. Hier zien jullie Marfa en Oom Leen op Twin Peaks. Het was wel een beetje winderig, maar het uitzicht was weer erg fraai.




Onze tweede stop was de Victoriaanse huizen aan Alamo Square. Oom Leen en David poseren hier voor de zog. painted ladies.



En dan natuurlijk de Golden Gate brug. De Tom Tom bracht ons kris kras door de stad naar de geheime, gratis parkeerplaats.



Terwijl we over de brug liepen en al bij de eerste pijler waren aangekomen, kwam er een stoet dames in roze kleren voorbij gelopen. Kennelijk was het een vredesdemonstratie, of iets tegen Bush of zo. Het was niet helemaal duidelijk. De 10 dames werden begeleid door minstens 20 politieagenten , wat een vreemde combinatie en verhouding was. Daarna wilde oom Leen heel graag weten wat er achter het deurtje in de pijler zat!




Weer veilig op de vaste wal hebben we broodjes gekocht en heerlijk gepicknick'd met uitzicht op de brug.



Vervolgens reden we naar de bochtigste straat van San Francisco, Lombard Street. Eerst liepen we hem op en neer, daarna reed ik hem zelf. Het was voor mij de eerste keer (normaliter doet Gerard dit soort kunstjes), dus flink zweten op de steile helling, hoor!





Nadat we in het centrum in een parkeergarage hadden geparkeerd, wilden we met de cable car wel een ritje maken. We stonden 10 min in de rij toen ze omriepen dat er een storing was. Dus liepen we de Macy's op Union Square maar in. Bovenin het warenhuis zit de Cheesecake Factory waar hippe jongens en meisjes ons voorzagen van koffie en twee heerlijke stukken cheesecake! Vanaf het terras hadden we bovendien een prachtig uitzicht op Union Square (de tweede foto is door de letters van Macy's heengenomen).




Toen we weer beneden waren, bleek de cable car het ook weer te doen. Dus zaten we even later alle vier in de car op weg naar Fisherman's Wharf. David en Oom Leen hadden een paal te pakken gekregen, en mochten lekker hangen!





Op Fisherman's Wharf was het lekker druk met straatartiesten en muzikanten. We bleven een tijdje staan kijken naar een jongen die met verfspuiten en stukjes karton de prachtigste SciFi landschappen wist te maken. En aan het eind van Pier 39 lagen er nog genoeg zeeleeuwen voor de toeristen.




We namen de historische streetcar langs Embarcadero en reden naar de Ferry Building, op zoek naar een restaurant. Helaas bleek bijna alles al dicht, en de wachttijd bij de Slanted Door (een fancy Vietnamees restaurant) was anderhalf uur. Dus liepen we maar naar China town. Daar hadden we een heerlijk diner met uitzicht op de lichtjes van de stad.